Gelet op artikel 170, §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22/12/2017, inzonderheid art. 2, 40, 41, 252, 286 t.e.m. 287 en 326;
Gelet op het decreet van 30/05/2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen;
Overwegende dat de gemeenteraad in zitting van 18 december 2018 de belasting op tweede verblijven heeft goedgekeurd voor de aanslagjaren 2019 tot en met 2025;
Overwegende dat het verwerven van inkomsten uit belastingen noodzakelijk is om de algemene uitgaven van de stad Zoutleeuw te financieren;
Overwegende dat het bijhouden van bevolkingsregisters een taak en verantwoordelijkheid is van de gemeente;
Overwegende dat de belasting op tweede verblijven ertoe bijdragen kan dat personen die hun feitelijke verblijfplaats in de stad Zoutleeuw hebben zich effectief laten inschrijven in de bevolkingsregisters voor hun hoofdverblijfplaats;
Overwegende dat, daarnaast, het ook billijk is dat personen die naast hun hoofdverblijfplaats ook nog over een tweede verblijf beschikken, bijdragen in de financiële behoeften van de gemeente daar ook zij vaak gebruik maken van de dienstverlening en infrastructuur van de stad op het vlak van cultuur, wegeninfrastructuur, afvalverwerking en andere;
Overwegende dat houders van een zakelijk recht op leegstaande woningen of gebouwen deze zouden kunnen aangeven als tweede verblijf om zo een belasting op leegstand te ontlopen en dat een belasting op tweede verblijven een instrument vormt om dit tegen te gaan en kan bijdragen om een correcter beeld te hebben van de aard, de bezetting en het gebruik van het beschikbare woningpatrimonium in de stad;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Op voorstel van het college van burgemeester en schepenen;
Na beraadslaging,
BESLUIT:
Artikel 1 :
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een gemeentebelasting gevestigd op de tweede verblijven.
Art.2:
Als tweede verblijf wordt beschouwd elke private woongelegenheid op het grondgebied van de stad Zoutleeuw die op regelmatige wijze wordt gebruikt voor bewoning en waar op 1 januari van het aanslagjaar geen persoon ingeschreven is in het bevolkings-, wacht-, of vreemdelingenregister op het adres van deze woongelegenheid op dit bewuste adres, ongeacht of het gaat om landhuizen, bungalows, appartementen, grote of kleine weekendhuizen of buitengoederen, optrekjes, chalets en alle andere vaste woongelegenheden, met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans.
Als tweede verblijf wordt niet beschouwd:
Als een woongelegenheid in de zin van dit reglement wordt beschouwd elke vaste constructie waar men zich tijdelijk of permanent kan vestigen en die helemaal of gedeeltelijk bemeubeld is, voorzien is van aangesloten sanitaire en nutsvoorzieningen (zoals water, elektriciteit, verwarming en sanitair) en die uitgerust is om te eten en slapen.
Art.3:
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die op 1 januari van het aanslagjaar zakelijk gerechtigde is van het tweede verblijf.
Voor de toepassing van dit reglement wordt onder zakelijk gerechtigde of houder van het zakelijk recht verstaan de houder van één van volgende rechten: (i) de volle eigendom, of (ii) het recht van opstal of erfpacht; of (iii) het vruchtgebruik.
Zijn belastingplicht geldt ook wanneer het tweede verblijf verhuurd wordt of tijdelijk niet gebruikt wordt.
Zijn belastingplicht geldt ongeacht het feit of hij al dan niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters van de stad.
ln geval van mede-eigendom zijn de mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld. ln geval er meerdere andere houders zijn van het zakelijk recht, zijn deze eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Art.4:
De belasting wordt vastgesteld op 1.000 EUR per tweede verblijf.
Art.5:
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat wordt vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen.
Art. 6:
De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem behoorlijk ingevuld en ondertekend uiterlijk op 15 april van het aanslagjaar moet worden teruggestuurd.
De belastingplichtigen die geen aangifteformulier hebben ontvangen, zijn verplicht om uiterlijk op 15 april van het aanslagjaar aan het gemeentebestuur de voor aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen om de aanslag te kunnen vaststellen.
Art. 7:
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 6 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve worden ingekohierd.
Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent het college van burgemeester en schepenen aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Art.8:
De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met 50% van de verschuldigde belasting.
Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Art. 9:
De belasting moet betaald worden binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Art. 10:
De belastingplichtige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen.
Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn.
Het bezwaarschrift kan ook via een duurzame drager worden ingediend zoals voorzien door het college van burgemeester en schepenen.
Deze indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding afgegeven, binnen vijftien dagen na de indiening ervan.
Art.11:
Het reglement treedt in werking op 01/01/2026.